Procesrecht - Voorzieningenrechter verklaart te summiere dagvaarding nietig

12 april 2019

Jhr Mr N.J.M. Beelaerts van Blokland   beelaerts@salval.com

In kort geding lijkt het soms tactisch slim om te volstaan met een korte dagvaarding en met het zo laat mogelijk indienen van nadere stukken. Een te summiere dagvaarding kan echter nietig worden verklaard en een te late nadere onderbouwing in strijd met een goede procesorde, getuige het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 27 maart 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:3007).

In deze zaak had eiser een paar korte stellingen in de dagvaarding opgenomen, maar deze op geen enkele wijze - ook niet aan de hand van producties - nader toegelicht/onderbouwd. De drie in de dagvaarding genoemde producties, waren ook niet (mee-)betekend, noch anderszins dadelijk na betekening aan gedaagde toegestuurd.

De voorzieningenrechter stelde zich dan ook op het standpunt dat de dagvaarding niet voldeed aan de eisen van artikel 111 lid 2 onder d Rv. Dit artikel schrijft namelijk voor dat een dagvaarding de eis en de gronden daarvan moet vermelden. Onder de 'gronden van de eis' dient volgens de voorzieningenrechter te worden verstaan de feitelijke grondslag van de vordering, ofwel een - voldoende gedetailleerd - feitencomplex dat het verlangde rechtsgevolg rechtvaardigt. Kort gezegd, het moet de rechter en de gedaagde partij na lezing van de dagvaarding direct duidelijk zijn op grond van welke feiten en juridische argumenten de eisende partij recht meent te hebben op wat hij vordert.

Wanneer dit niet het geval is, kan een gedaagde zich ook niet behoorlijk verweren. Artikel 120 lid 1 Rv bepaalt dan in beginsel dat de dagvaarding nietig is.

Deze nietigheid kan nog wel voorkomen worden, omdat een eisende partij zijn eis en/of de gronden daarvan nadien (ook in kort geding) nog kan aanvullen en/of wijzigen. Daaraan worden echter wel grenzen gesteld, gelegen in de eisen van een goede procesorde (zie art. 130 Rv).  Eiser liep echter ook tegen deze eisen van goede procesorde op.

Gedaagde had eiser namelijk gewezen de afwezigheid van de onderbouwing van de bezwaren tegen de gunningsbeslissingen en eiser verzocht om binnen 7 dagen de stellingen uit de dagvaarding te onderbouwen met een akte. Deze (uitgebreide) akte volgt echter niet binnen de gevraagde 7 dagen, maar pas vier werkdagen vóór de mondelinge behandeling van het kort geding.

De voorzieningenrechter achtte deze gang van zaken in strijd met een goede procesorde. De voorzieningenrechter zag niet in waarom de onderbouwing (voor het grootste deel) niet al direct in de dagvaarding had kunnen worden opgenomen, of bij akte binnen de door gedaagde gestelde termijn. De voorzieningenrechter liet de betreffende akte dan ook buiten beschouwing wegens strijd met de eisen van een goede procesorde, waarna enkel de nietige dagvaarding resteerde. De zaak was daarmee direct afgelopen en eiser werd in de proceskosten veroordeeld.

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Niels Beelaerts van Blokland: beelaerts@salval.com.