Nut en noodzaak van de aantekening in het Rechtsmiddelenregister (433 Rv.)

24 december 2018

Mr P.S. Kamminga   p.s.kamminga@salval.com

Vrijwel niemand is bekend met het bestaan van het zogenaamde Rechtsmiddelenregister en het bepaalde in artikel 433 Rv.:
"De partij die verzet heeft gedaan, of hoger beroep of beroep in cassatie heeft ingesteld, heeft de bevoegdheid om daarvan ter griffie van het gerecht dat het bestreden vonnis heeft uitgesproken, in een daartoe bestemd register aantekening te doen houden, met vermelding van de namen van de partijen, de dagtekening van het vonnis en die van het verzet, het hoger beroep of het beroep in cassatie.”
Het is dus altijd mogelijk om een aantekening te laten plaatsen in het Rechtsmiddelenregister bij het betreffend gerecht. Dat heeft in het bijzonder zin als een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen een uitspraak die als zodanig niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Daarmee kan worden voorkomen dat een schuldenaar bevrijdend voldoet aan de met het rechtsmiddel bestreden uitspraak. Met een dergelijke aantekening kan ook worden voorkomen dat een niet uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak wordt geëxecuteerd in verband met het vereiste krachtens artikel 432 dat bij executie van een dergelijke uitspraak een verklaring van de griffier wordt overgelegd dat er in het register geen aantekening is geplaatst van een rechtsmiddel (artikel 432 Rv.).
Soms moét aantekening plaatsvinden in het Rechtsmiddelenregister van het aanwenden van een rechtsmiddel, op straffe van niet-ontvankelijkverklaring. Dat is geregeld in artikel 3:301 lid 2 BW:
"Verzet, hoger beroep en cassatie moeten op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in de registers, bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In afwijking van artikel 143 van dat wetboek begint de verzettermijn te lopen vanaf de betekening van het vonnis aan de veroordeeld, ook als de betekening niet aan hem in persoon geschiedt.”

Die verplichting - aan niet naleving waarvan de sanctie van niet-ontvankelijkverklaring is verbonden - heeft betrekking op het geval dat de uitspraak waartegen het rechtsmiddel is gericht een uitspraak betreft waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte (artikel 3:301 lid 1 BW). De verplichting tot het doen van een aantekening in het Rechtsmiddelregister in geval van het gebruik maken van een rechtsmiddel tegen een dergelijke uitspraak geldt overigens slechts voor dát gedeelte van de uitspraak (die betrekking kan hebben op meer onderwerpen) ten aanzien waarvan de rechter heeft bepaald dat het in de plaats treedt van een akte met betrekking tot een registergoed dat als zodanig in de Openbare Registers kan worden ingeschreven.

Dus als het geschil (mede) gaat om een registergoed, bijvoorbeeld een onroerende zaak, is het opletten geblazen. Maar het is ook niet zo dat als het (mede) gaat om een registergoed zonder meer aantekening in het Rechtsmiddelenregister moet geschieden als een rechtsmiddel wordt aangewend. Beslissend is of het gaat om een uitspraak van de rechter die moet worden ingeschreven in de Openbare Registers, te weten een uitspraak waarbij de rechter (op vordering van de eiser) heeft bepaald dat zijn uitspraak in de plaats van een akte of een deel daarvan zal treden, op de voet van het bepaalde bij artikel 3:300 lid 2 BW. Het vereiste van inschrijving in het Rechtsmiddelenregister van een rechtsmiddel tegen een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte (bedoeld om in plaats daarvan in de Openbare Registers te worden ingeschreven) strekt ertoe de betrouwbaarheid van de Openbare Registers te waarborgen in het kader van de vereiste rechtszekerheid met betrekking tot het verkrijgen van registergoederen jegens derden (vergelijk onder meer Hoge Raad 24 december 1999, NJ 2000, 495).

Dat moet binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel. De datum van ontvangst van een verzoek tot inschrijving ter griffie is bepalend (vergelijk onder meer hof Arnhem-Leeuwarden, 11 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5957).

Inschrijving in het Rechtsmiddelenregister is ook op straffe van niet-ontvankelijkheid vereist voor wat betreft een rechtsmiddel tegen een uitspraak van de rechter strekkende tot waardeloosverklaring van een hypotheek of van een beslag op een registergoed op de voet van het bepaalde bij artikel 3:29 lid 1 juncto 3 BW.

Hetzelfde geldt in geval van een rechterlijke verklaring omtrent het recht op een registergoed als bedoeld in artikel 3:27 BW en in het geval van grensvastlegging bij een rechterlijke uitspraak op de voet van artikel 5:32 BW. Ook die uitspraken zijn bedoeld om te worden ingeschreven in de Openbare Registers.

Het is dus opletten geblazen als het gaat om het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een uitspraak die (mede) betrekking heeft op een registergoed, maar in het merendeel van de gevallen hoeft men niet beducht te zijn voor de sanctie van niet-ontvankelijkverklaring. De verplichting geldt slechts voor die (gedeelten van) uitspraken die als zodanig bestemd zin om te worden ingeschreven in de Openbare Registers.

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met met Pieter Kamminga: p.s.kamminga@salval.com.