Actueel

Het begrip woning voor de overdrachtsbelasting

14 september 2017

Krachtens artikel 14 van de Wet op Belastingen van Rechtsverkeer (WBR) is overdrachtsbelasting verschuldigd, in beginsel op basis van 6% van de waarde bij verkrijging van onroerende zaken, en - sinds 1 januari 2013 met invoering van lid 2 van deze bepaling - als uitzondering het verlaagde tarief van 2% bij verkrijging van woningen. Aan deze bepaling ging vooraf een Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 1 juli 2011 die tijdelijke verlaging van het tarief inhield voor woningen om de gestagneerde woningmarkt een impuls te geven.

Sindsdien is discussie ontstaan over invulling van het begrip "woning” voor het verlaagde tarief.

In het kader van een geschil met de Belastingdienst aan de hand van een opgelegde naheffing - de notaris had het verlaagde tarief van 2% toegepast, de Belastingdienst meende dat de uitzondering niet opging en dat het gewone tarief van 6% van toepassing was - met betrekking tot verkrijging van een villa te Leiden gebouwd als woning met atelier maar nadien ook gebruikt als kantoor, is bij de Rechtbank in beroep door ons met succes verdedigd dat beslissing was de bestemming bij de bouw en niet het gebruik vóór de verkrijging.


Dat standpunt is daarna ook bevestigd in de conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad Wattel van 23 november 2016 in vier zaken, door de Hoge Raad gevolgd in de uitspraken in die vier zaken van 24 februari 2017.
"naar zijn aard voor bewoning bestemd” is te beantwoorden aan de hand van een zo objectief mogelijke maatstaf, die zoveel mogelijk aanknoopt bij de kenmerken van het bouwwerk zelf, aan de hand van het doel waarvoor het oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd. Als dat doel bewoning is geweest maar het bouwwerk nadien is verbouwd om het geschikt te maken voor een andere vorm van gebruik, wordt het geacht de aard van woning te hebben behouden als niet meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om het weer voor bewoning geschikt te maken. Zo werden verkrijgen van onroerende zaken zoals een advocatenkantoor in een stadsvilla die oorspronkelijk als woning was gebouwd en een tandartspraktijk in een pand dat oorspronkelijk als woning fungeerde aangemerkt als vallend onder het verlaagde tarief.

 

Mr P.S. Kamminga