Cassatie - Internationale bevoegdheid bij echtscheiding en gezag

19 juli 2018

Arjan van den Steenhoven  a.h.m.vandensteenhoven@salval.com.

Op 12 januari 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak met internationale aspecten waarbij ook een nevenvoorziening aangaande het gezag over de minderjarige dochter van partijen aan de orde was (ECLI:NL:HR:2018:31).

Partijen, gehuwd naar Indiaans recht, woonden al gedurende enkele jaren in India. De man is directeur van een aldaar gevestigd bedrijf. De vrouw heeft de Nederlandse en Pakistaanse nationaliteit. Man en vrouw wonen tezamen met hun kind (en een kind van de vrouw uit een eerdere relatie) al jaren in India.

In december 2014 is de vrouw met de kinderen vanuit Mumbai naar Nederland gereisd, vanaf welk moment zij in Nederland heeft verbleven. De man heeft steeds gesteld dat het vertrek van de vrouw met het kind van partijen uit India zonder zijn toestemming heeft plaatsgevonden en dat het kind in ieder geval tot dat moment haar normale verblijfplaats in India had.

Na een verblijf van enkele maanden in Nederland heeft de vrouw voor de Nederlandse rechter verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, haar te belasten met het eenhoofdig gezag over het kind (subsidiair om de hoofdverblijfplaats van het kind bij de vrouw te bepalen) en voorts een bedrag aan kinder- en partneralimentatie vast te stellen. De rechtbank achtte zich bevoegd om kennis te nemen van zowel het verzoek tot echtscheiding als de gevraagde nevenvoorzieningen aangaande het gezag (danwel de hoofdverblijfplaats) en de alimentatie. Die uitspraak hield bij het gerechtshof geen stand. Het gerechtshof oordeelde dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was om kennis te nemen. "en de nevenvoorzieningen delen dat lot”, aldus het gerechtshof. Eind goed al goed? Nee, want in dat laatste zinnetje zat het venijn.

De vrouw is van de beslissing van het hof in cassatie gekomen, waarbij klachten zijn geformuleerd tegen de beslissing van het gerechtshof dat het niet bevoegd was om kennis te nemen van het verzoek tot echtscheiding. Daarnaast is geklaagd over het feit dat het gerechtshof de bevoegdheid met betrekking tot de gezagskwestie had moeten beoordelen op basis van het bepaalde in artikel 8 Verordening Brussel II Bis. Dat artikel regelt de rechtsmacht van de rechter in zaken betreffende - kort gezegd - gezagskwesties aangaande een minderjarige. In het artikel staat centraal het begrip "gewone verblijfplaats” van het kind, welk begrip verdragsautonoom moet worden uitgelegd.

De Hoge Raad verwierp de klachten ter zake van de bevoegdheid met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding met toepassing van artikel 81 RO, hetgeen inhoudt dat geen inhoudelijke motivering daarvan wordt gegeven door de Hoge Raad. De klacht met betrekking tot de beslissing van het gerechtshof dat de gevraagde nevenvoorzieningen het lot delen van het echtscheidingsverzoek slaagt evenwel. De Hoge Raad oordeelt dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van een verzoek om een dergelijke nevenvoorziening te treffen, moet worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 8 lid 1 Verordening Brussel II Bis. De enkele omstandigheid dat in Nederland geen echtscheidingsprocedure aanhangig is of gemaakt kan worden, staat aan de bevoegdheid op grond van die bepaling niet in de weg. Ook het stelsel van artikel 827 lid 1, aanhef en onder c, Rechtsvordering in verbinding met artikel 1:251a lid 2 BW, dat als uitgangspunt heeft dat de rechter die de echtscheiding uitspreekt ook de in artikel 827 Rv. vermelde nevenvoorzieningen kan treffen, staat aan die bevoegdheid niet in de weg.

Door aldus te oordelen geeft de Hoge Raad de facto slechts toepassing aan het bepaalde in artikel 8 lid 1 Brussel II Bis. Volgens het Nederlands internationaal privaatrecht moeten in zaken als de onderhavige alle kwesties die in een echtscheidingsprocedure met gevraagde nevenvoorzieningen aan de Nederlandse rechter worden voorgelegd, worden beoordeeld aan de hand van de verschillende voor die betreffende verzoeken geldende bevoegdheidsregels. In een echtscheidingsprocedure met nevenvoorzieningen kan dat derhalve tot verschillende uitkomsten leiden met betrekking tot de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. De Nederlandse rechter kan bijvoorbeeld oordelen dat hij bevoegd is om kennis te nemen van de echtscheidingsprocedure, maar (gelet op de woonplaats van de betreffende minderjarige) niet van het verzoek om het eenhoofdig gezag te bepalen. Andersom is natuurlijk ook mogelijk, zoals de Hoge Raad in de onderhavige zaak heeft geoordeeld.

Dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de gevraagde nevenvoorziening, zegt echter niets over de mogelijkheden die de Nederlandse rechter heeft om de gevraagde nevenvoorziening uit te spreken. Voor die mogelijkheden zal moeten worden gekeken naar het toepasselijke Nederlandse recht en derhalve naar het door de Hoge Raad ook al genoemde samenstel van artikel 827 Rv. en 1:251a BW, waaruit - zo valt te lezen - moet worden afgeleid dat de rechter die de echtscheiding uitspreekt nevenvoorzieningen kan treffen. Maar wat nu als de rechter niet bevoegd is om de echtscheiding uit te spreken en dat derhalve ook niet zal doen? Dan rest de rechter weinig anders dan de gevraagde nevenvoorziening af te wijzen. Met andere woorden: de Nederlandse rechter heeft wel bevoegdheid om van het verzoek kennis te nemen, maar het feitelijke resultaat blijft hetzelfde: de Nederlandse rechter kan het gevraagde eenhoofdig gezag niet toewijzen, althans niet in deze procedure.

De Hoge Raad geeft de rechter die met kwesties als de onderhavige wordt geconfronteerd nog wel een handvat mee. De Hoge Raad oordeelt dat de rechter die op grond van artikel 8 Verordening Brussel II Bis bevoegd is kennis te nemen van een verzoek met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind (gezagskwesties) zijn beslissing op dat verzoek kan aanhouden in afwachting van de uitkomst van een bij een buitenlandse rechter aanhangige of aanhangig te maken echtscheidingsprocedure, danwel aan zijn beslissing voorwaarden verbinden die verband houden met een dergelijke in het buitenland uit te spreken beslissing. Naar het zich laat aanzien heeft de Hoge Raad hier zelfstandige verzoeken die in Nederland aanhangig worden gemaakt voor ogen gehad. Dergelijke zelfstandige verzoeken zijn immers niet afhankelijk van de vraag of de Nederlandse rechter ook de echtscheiding uitspreekt. Of heeft de Hoge Raad hiermee de deur op een kier gezet om dergelijke nevenvoorzieningen als zelfstandig verzoek te behandelen indien de Nederlandse rechter niet bevoegd blijkt te zijn met betrekking tot de echtscheiding?

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Arjan van den Steenhoven: a.h.m.vandensteenhoven@salval.com.