Cassatie - Geen spoedeisend belang in hoger beroep, toch inhoudelijke beoordeling vanwege proceskosten

Cassatie - Geen spoedeisend belang in hoger beroep, toch inhoudelijke beoordeling vanwege proceskosten

24 oktober 2018

Arjan van den Steenhoven   a.h.m.vandensteenhoven@salval.com

Procederen kost geld; dat weten we allemaal. Dan is het prettig dat, als je bij de rechter gelijk krijgt, je dan ook in ieder geval een deel van de kosten terug krijgt. De hoofdregel in het Nederlands procesrecht is dat de partij die in overwegende mate in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de proceskosten van de andere partij. Daarbij gaat het dan niet om de werkelijk gemaakte proceskosten, maar om kosten die worden berekend volgens een forfaitair systeem. Bij de berekening van het  te vergoeden bedrag wordt gekeken naar het belang van de zaak (met andere woorden: welk prijskaartje is er aan de vordering te hangen) en naar het aantal proceshandelingen dat in de zaak is verricht. Op dat uitgangspunt bestaan enkele uitzonderingen, onder meer in zaken betreffende intellectuele eigendom (waarbij wel wordt gekeken naar de werkelijke kosten) en zaken in personen- en familierecht. In de laatste geval pleegt de rechter de proceskosten over en weer te compenseren. Dat wil zeggen dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Worden beide partijen allebei voor ongeveer even grote delen in het ongelijk gesteld, dan zullen de kosten ook worden gecompenseerd.

De systematiek met betrekking tot de proceskostenveroordeling is daarmee vrij overzichtelijk en geldt zowel in eerste aanleg bij de rechtbank als in hoger beroep bij het gerechtshof. Maar hoe zit dat nu als een partij bij de rechtbank in het ongelijk is gesteld en in de kosten is veroordeeld en tijdens het daarop volgende hoger beroep doen zich nieuwe ontwikkelingen voor waardoor een inhoudelijke beoordeling van de zaak in hoger beroep niet meer aan de orde is. Een dergelijk geval was aan de orde in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1782). In die zaak was sprake een nieuwe ontwikkeling in een kort geding waardoor het vereiste spoedeisend belang (dat ook in hoger beroep nog moet bestaan) niet meer aanwezig was. Het hof kwam daarom niet meer toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Moet het gerechtshof dan toch nog kijken naar de vraag of het proceskosten veroordeling in eerste aanleg wel terecht was uitgesproken?

In de betreffende zaak ging het - kort gezegd - om ouders die in verband met hun levensopvatting niet wilden dat hun kinderen onderwijs zouden volgen bij een van de scholen in hun gemeente. Zij vroegen daarvoor bij de gemeente een vrijstelling aan en zouden hun kinderen zelf scholen. De gemeente nodigde de betreffende ouders uit voor een gesprek om na te gaan of het beroep op de vrijstelling terecht was en of sprake was van een gezonde ontwikkeling van hun kinderen. De betreffende gemeente had haar beleid op dit punt korte tijd daarvoor aangescherpt en indien de ouders aan de uitnodiging voor een gesprek geen gehoor gaven (ook niet na herhaalde uitnodiging)  werd door de gemeente een melding gedaan bij de Raad voor de Kinderbescherming. Dat gebeurde ook in deze zaak. 

De ouders hebben hierop de gemeente en de Raad voor de Kinderbescherming in kort geding betrokken en gevorderd dat het de gemeente zou worden verboden om haar nieuwe beleid voort te zetten, in ieder geval voor zover weigering tot deelname aan een gesprek zou leiden tot een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming. De voorzieningenrechter wees de vordering af en de ouders werden veroordeeld in de proceskosten. De ouders zijn vervolgens alsnog het gesprek met de gemeente aangegaan, maar zijn daarnaast ook van het vonnis in hoger beroep gekomen. Naar aanleiding van het gesprek tussen de ouders en de gemeente heeft de gemeente alsnog (hangende het hoger beroep) geoordeeld dat het beroep op de vrijstelling door de ouders terecht was; het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming is toen op verzoek van de gemeente afgebroken. Het gerechtshof oordeelde vervolgens in hoger beroep dat daarmee het vereiste spoedeisend belang bij het gevraagde verbod was komen te vervallen en verklaarde de ouders niet-ontvankelijk, (opnieuw) met veroordeling van de ouders in de proceskosten. Het hof oordeelde daarbij - terecht - dat de ouders nog wel een belang hielden bij een oordeel over de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, maar het hof overwoog dat het niet toekwam aan een rechtmatigheidstoets van het door de gemeente gevoerde beleid, zodat het de kostenveroordeling in eerste aanleg ook niet onder de loep kon nemen. Die rechtmatigheidstoets diende volgens het hof in een bodemprocedure bij de rechtbank plaats te vinden.

Daarmee ging het hof echter te kort door de bocht. Naar aanleiding van het ter zake door de ouders ingestelde cassatieberoep oordeelde de Hoge Raad dat, ook als in een kort geding in hoger beroep het spoedeisend belang bij een beoordeling van de zaak komt te ontbreken (of dat de ordemaatregel om een andere reden niet meer aan de orde is) het gerechtshof in hoger beroep toch behoort te beslissen over de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Daartoe moet het gerechtshof dan onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag, terecht is toe- of afgewezen. In de onderhavige zaak betekende dit dat het gerechtshof dus had moeten onderzoeken of en in hoeverre het beleid van de gemeente rechtmatig was. Indien de voorzieningenrechter in eerste immers ten onrechte had geoordeeld dat het beleid van de gemeente rechtmatig was, dan zou dat betekenen dat de ouder in eerste aanleg ten onrechte in de proceskosten waren veroordeeld. De beslissing van het hof dat het aan die beoordeling niet toekwam omdat die in een bodemprocedure moest plaatsvinden, was dan ook onjuist zodat het arrest van het hof werd vernietigd. 

Saillant detail is overigens dat de gemeente enige tijd nadat het cassatieberoep door de ouders was ingesteld, per brief had aangeboden om de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep niet te incasseren. Vervolgens  stelde de gemeente in de cassatieprocedure dat daarmee het belang bij het cassatieberoep was komen te vervallen. Ook daar ging de Hoge Raad niet in mee. Met het aanbod van de gemeente hadden de ouders nog steeds belang bij hun cassatieberoep. Dat zou anders zijn geweest indien de gemeente niet alleen had aangeboden om de proceskostenveroordelingen ten laste van de ouders niet te incasseren, maar in plaats daarvan om de proceskosten van de ouders te vergoeden. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het beleid van de gemeente zou de weegschaal namelijk wel eens de andere kant op hebben kunnen uitslaan waarmee die proceskosten dan ten laste van de gemeente zouden zijn gekomen. De Hoge Raad merkt daarbij op dat in betalende zaken kan worden aangesloten bij het liquidatietarief (het forfaitaire systeem waarop hiervoor werd gedoeld); in zaken waarin een partij procedeert op basis van een toevoeging (door de overheid gefinancierde rechtsbijstand) moet worden gekeken naar de betaalde eigen bijdrage. In beide gevallen zullen de betaalde griffierechten uiteraard ook moeten worden vergoed.

De ouders werden in deze zaak bijgestaan door Arjan van den Steenhoven  a.h.m.vandensteenhoven@salval.com