Actueel

Brutering partneralimentatie?

14 september 2017

De onderhoudsplichtige die in Nederland inkomstenbelasting verschuldigd is, heeft aanspraak op een persoonsgebonden aftrekpost voor betaalde alimentatie. De vermindering van inkomstenbelasting wordt aangeduid als fiscaal voordeel. Bij het vaststellen van een alimentatiebijdrage kan de rechter rekening houden met dat fiscaal voordeel omdat daarmee sprake zou zijn van "extra draagkracht” bij het hanteren van de zogenaamde bruto methode volgens de Richtlijnen Expertgroep Alimentatienormen (editie 2016, onder 4.3 en 89 e.v.). Het optellen bij de netto alimentatie van het belastingvoordeel leidt tot een bruto bedrag. Dat wordt aangeduid met brutering. Extra draagkracht als gevolg van fiscaal voordeel bestaat slechts als een dergelijk fiscaal voordeel ook wordt genoten. Als het inkomen van de onderhoudsplichtige niet is onderworpen aan fiscaliteit, zoals het geval is bij werkzaamheden bij het merendeel van de internationale organisaties, kan er geen sprake zijn van fiscaal voordeel samenhangend met een alimentatiebijdrage, en bestaat dus geen aanleiding voor brutering samenhangend met extra draagkracht als gevolg van fiscaal voordeel.

In de zaak die heeft geleid tot Hoge Raad 16-12-2016, ECLI:NL:HR:2016:2881 was een zaak aan de orde van vaststelling van een alimentatiebijdrage na echtscheiding te betalen door de man die werknemer is bij het European Patent Office te Rijswijk. In het kader van de vaststelling van de alimentatiebijdrage in eerste aanleg heeft de Rechtbank zich rekenschap gegeven van het feit dat de man in Nederland niet belastingplichtig is en overwogen:

"Gelet hierop zal de rechtbank geen gebruik maken van de rekenwijze zoals volgt uit het rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen, maar zal zij het netto inkomen van de man verminderen met zijn lasten.”

Die benadering, dat uitgangspunt, dat geen grond bestaat voor brutering samenhangend met voordeel fiscale aftrek met toepassing van Nederlandse belastingwetgeving is noch door de man, noch door de vrouw bestreden in hoger beroep. Het Hof heeft echter de berekende draagkracht van de man van € 2.795,- netto per maand gebruteerd tot € 5.072,- bruto per maand en aan de hand daarvan de verschuldigde partneralimentatie vastgesteld op € 3.500,- per maand. Die brutering was niet door de vrouw verdedigd; het gaat om een door het Hof zelf gehanteerde benadering die niet te rijmen is met het gegeven dat de man niet belastingplichtig is en dus ook geen fiscaal voordeel geniet samenhangend met de verschuldigde alimentatiebijdrage.

Het Hof heeft echter geen gevolg willen geen aan een verzoek van de man tot verbetering op de voet van artikel 31/32 Rv.. De vrouw maakte bezwaar tegen de verzochte verbetering met de strekking dat het Hof met de brutering rekening zou hebben gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder het gegeven dat de vrouw wel belasting dient te voldoen en de normen van de Expertgroep Alimentatienormen niet beslissend zijn. Het hof heeft bij beschikking van 9 december 2015 beslist dat er geen aanleiding was om de beschikking aan te passen nu er geen sprake was van inhoudelijke bezwaren (!? P.S. Kamminga) tegen de beschikking en niet van een voor ieder kenbare, eenvoudig te herstellen fout. De man moest dan ook cassatieberoep instellen tegen de brutering zelf om correctie van deze misslag te bewerkstelligen. De door de vrouw ingeschakelde LBIO wenste slechts uit te gaan van de beschikking van het Hof, zolang deze niet was vervangen.

 De daartegen gerichte cassatieklacht is gegrond bevonden. De Hoge Raad heeft overwogen (r.o. 3.3.2):

"3.3.2   Het onderdeel slaagt. Tussen partijen was niet in geschil dat de man als werknemer van een internationale organisatie niet belastingplichtig is in Nederland en dat hij daarom ook geen fiscaal voordeel geniet in verband met zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw. Ok de rechtbank is daarvan uitgegaan en geen van partijen heeft tegen dat uitgangspunt een grief gericht. Door de ten behoeve van de vrouw beschikbare draagkrachtruimte te bruteren is het hof derhalve buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Zijn beslissing op dit punt is bovendien onbegrijpelijk.”


Mr P.S. Kamminga